Kenmerkende aspecten Tijdvak 8 – 10

Toelichting

Kenmerkende aspecten zien eruit als kleine ‘stukjes geschiedenis’, die je afzonderlijk kunt leren. Maar het is veeel nuttiger om ze te zien als onderdelen van een antwoord op je CE of SE. Zoek en onthoud de verbanden, in plaats van alleen de feiten.

Kenmerkende aspecten leren lastig, tijdrovend of niet leuk? Probeer onze App:

Google/Android

Apple/iPhone/iPad

Tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines

KA-31: De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving

De industriële revolutie vormde een belangrijke economische overgang. De nadruk op landbouw en ambachten werd geleidelijk vervangen door een nadruk op industrie. De industriële revolutie begon in Engeland rond 1750, in Europa rond 1800 en in Nederland pas in 1850. De veranderingen gingen langzaam, maar waren breed en blijvend. Uitvindingen in de katoenindustrie en de mijnbouw gaven een impuls aan de industrialisering: de schietspoel in 1733 en de Spinning Jenny in 1769. Een andere belangrijke uitvinding was de stoommachine, die door James Watt verbeterd werd vanaf 1765.

Menselijke arbeid werd meer en meer vervangen door machines en industrie, waardoor op een veel grotere schaal kon worden geproduceerd. Een gevolg hiervan was verstedelijking, want door het gebruik van landbouwmachines waren minder mensen nodig op het land en de mensen trokken naar de steden, waar ze gingen werken in de industrie. De arbeiders leefden in slechte omstandigheden. Voor de grootschalige productie was een grote aanvoer van grondstoffen nodig en een grote afzetmarkt om alle producten kwijt te kunnen. Onderdeel van de industrialisering was de transportrevolutie: de stoomtrein en het stoomschip.

 

KA-32: Discussies over de ‘sociale kwestie’

De arbeiders in de industrie hadden te maken met zeer slechte werk- en leefomstandigheden. Door de migratie van het platte land naar de stad ontstond woningnood en veel mensen leefden onder erbarmelijke omstandigheden. De arbeiders moesten ongezond en gevaarlijk werk doen met lange werktijden en tegen laag loon. Ook kinderen moesten in de fabrieken werken. Door de combinatie van deze factoren bestond er kans op het uitbreken van besmettelijke ziekten. Socialistische partijen en socialistisch ingestelde burgers trokken zich het lot van de arbeiders aan. De liberalen wilden echter niets veranderen. Zij gingen er vanuit dat de industrialisering welvaart zou brengen en de problemen zich dan vanzelf op zouden lossen. De sociale kwesties leidden tot sociale onrust, waarmee ook de gegoede burgerij te maken kreeg. Het besef nam daardoor toe dat er iets gedaan moest worden. Rond 1900 leidde dit in veel West-Europese landen tot de invoering van sociale wetten. In Nederland waren dit bijvoorbeeld de ongevallenwet, de woningwet en de wet op de leerplicht. In 1874 werd het kinderwetje van Van Houten aangenomen: kinderen van onder de 12 mochten niet meer werken in de industrie.

 

KA-33: De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie

De Europese landen richtten zich op het veroveren van nog meer koloniën (modern imperialisme). Aan de ene kant hadden hun industrieën meer grondstoffen nodig. Aan de andere kant wilden ze ook hun producten afzetten. De overheden van Nederland en Engeland namen de oude handelscompagnieën over en gingen zelf de koloniën besturen. Er ontstond een race (wedloop) tussen de West-Europese landen om zo snel mogelijk hun koloniën uit te breiden. Nationalisme en de wens om de eigen macht uit te breiden speelden hierbij een rol. De nadruk lag in de 2e helft van de 19e eeuw op Afrika, omdat dit nog voor een groot deel niet gekolonialiseerd was. Door de nieuwe technologieën uit de industrialisatie hoefden de European niet meer alleen in de kustgebieden blijven, maar konden ze ook dieper landinwaarts trekken. Belangrijk hierbij waren communicatie (de telegraaf) en vervoer (stoomtrein en stoomschip). De Westerse landen vonden het ook hun plicht om hun beschaving en het christendom naar de minder ontwikkelde gebieden van de wereld uit te dragen.

 

 

KA-34: De opkomst van emancipatiebewegingen

In Europa kwamen emancipatiebewegingen op van vrouwen en arbeiders. Hun streven was het beëindigen van de achterstelling. In de tweede helft van de 19e eeuw regeerden de liberalen. Hun idee was dat de overheid terughoudend moest zijn en niet moest ingrijpen in maatschappelijke kwesties. Alleen rijke en invloedrijke mensen hadden kiesrecht. De belangen van arbeiders, katholieken, protestanten en vrouwen waren ondergeschikt. De sociale kwestie (zie KA 32), de schoolstrijd, kiesrechtkwestie en andere ontwikkelingen zorgden ervoor dat deze groepen op gingen komen voor hun eigen belangen (emanciperen). Socialisten richtten vakbonden op en verenigden zich in de SDB (Sociaal Democratische Bond) en later de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij) van Troelstra. Katholieken vormden onder leiding van Schaepman kiesverenigingen, die later overgingen in de RKS (Rooms-Katholieke Staatspartij). Protestanten richten de ARP (Anti-Revolutionaire Partij) op, met Abraham Kuyper als leider.

Schoolstrijd: confessionelen mochten hun eigen scholen oprichten, maar ze moesten het onderwijs dan zelf betalen. Katholieken en protestanten gingen zich voor het eerst verenigen (belangrijk, ze vormden tot ver na WO-II een dominant politiek blok).

Kiesrecht: zie KA-35.

In 1917 werd door een wijziging in de grondwet (pacificatie) geregeld dat christelijk (bijzonder) onderwijs in aanmerking kwam voor subsidie door de overheid, net als openbaar onderwijs. Ook werd hierbij het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Het algemeen vrouwenkiesrecht volgde in 1919.

Door de uitbreiding van het kiesrecht werd de politiek het sterkste machtsmiddel voor de emancipatiebewegingen. Zij waren dan ook deels verantwoordelijk voor het ontstaan van politieke partijen.

 

KA-35: Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces

In 1848 kwam er een parlementair stelsel. Het kiesrecht werd steeds verder uitgebreid. In 1919 kregen ook vrouwen kiesrecht. In 1848 komen in veel Europese landen burgers aan de macht door middel van revoluties.

Nadat Napoleon verslagen was herstelden de oude vorstenhuizen weer een deel van hun macht. In Nederland verzetten de liberalen zich tegen de macht van Willem I en later Willem II, onder leiding van Thorbecke. Toen overal in Europa revoluties uitbraken koos WillemII ervoor Thorbecke opdracht te geven een nieuwe grondwet te schrijven. Deze had de volgende kenmerken:

Machtenscheiding: koning en ministers vormen de uitvoerende macht, parlement en regering de wetgevende macht.

Parlement heeft de hoogste macht: ministers moeten verantwoording afleggen aan het parlement (ministeriële verantwoordelijkheid) en wetten moeten worden goedgekeurd door het parlement.

Onschendbaarheid koning: bij een misstap van de koning worden de ministers aangesproken, niet de koning zelf.

Kiesrecht: Alleen rijke en invloedrijke mensen hadden kiesrecht. Liberalen waren eerst tegen uitbreiding, maar raakten verdeeld. Socialisten waren natuurlijk voor, zij profiteerden van de beperkte uitbreidingen in het kiesrecht. De confessionele partijen gingen zich na 1900 inzetten voor uitbreiding van het algemeen kiesrecht.

In 1917 werd door een wijziging in de grondwet (pacificatie) het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Het algemeen vrouwenkiesrecht volgde in 1919.

Met de uitbreiding van het kiesrecht ontstonden politieke partijen: groeperingen van mensen die ruwweg dezelfde doelen wilden bereiken, op een democratische manier.

 

KA-36: De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

De politieke stromingen gingen in veel gevallen vooraf aan de vorming van politieke partijen. Een stroming is ook vaak veel breder dan alleen de politieke partij. Stromingen ontstaan vaak als een grote groep mensen een tegenreactie gaat vormen op een bestaande politieke of maatschappelijke situatie. Zie ook KA-34 en KA-35.

Liberalisme stelt vrijheid van het individu voorop. Een belangrijk uitgangspunt is ook dat de overheid zich niet veel moet bemoeien met zaken die in de maatschappij spelen. Liberalisme ontstond als tegenreactie op het autoritaire bewind van de vorsten in Europa na de nederlaag van Napoleon en als tegenreactie op het mercantilisme (beperking van import en bevordering van export in de 17e en 18e eeuw).

Socialisten wilden een samenleving waarin gelijkheid tussen de individuen voorop. Omdat dit vooral een verbetering voor arbeiders in zou houden werd het socialisme een echte arbeidersbeweging. Socialisme ontstond als tegenreactie op de slechte omstandigheden van arbeiders in de industriële en kapitalistische samenleving (zie KA-32). In het verlicht denken komen ook al elementen van het socialisme voor. Socialisme is nauw verwant aan communisme. Het belangrijkste verschil is dat socialisten hun doel op democratische manier wilden bereiken en communisten een revolutie wilden.

Confessionalisme: katholieken en protestanten hadden al honderden jaren hun eigen kerkelijke stromingen. Door de uitbreiding van het kiesrecht werd het voor hen noodzakelijk om zich ook politiek te gaan organiseren. Het ontstond mede als tegenreactie op het liberale principe dat kerk en staat gescheiden moesten zijn. Het was ook een tegenreactie op het socialisme, dat het geloof verwierp en waarvan substromingen een revolutie wilden (ARP: Anti-Revolutionaire Partij). Confessionele partijen hebben als uitgangspunt dat het geloof leidend is of minimaal een belangrijke inspiratiebron. Daarnaast: solidariteit (arm en rijk hebben elkaar nodig) en een zorgende overheid, die zich inzet maatschappelijke problemen op te lossen.

Nationalisme is een stroming waarbij mensen uit een bepaald land of gebied zich met elkaar verbonden voelen en dit gevoel leidend maken voor wat ze doen op militair, politiek en economisch gebied. Nationalisme ontstaat vaak als reactie op bezetting, oorlog of verdrukking, bijvoorbeeld de overheersing van Europese landen door Napoleon, de Frans-Duitse oorlog of de ‘Schande van Versailles’ in Duitsland. Leiders gebruiken nationalisme vaak om hun macht te vergroten en aandacht af te leiden van problemen (Willem van Oranje, Bismarck, Hitler).

 

 

Tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen

KA-37: De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie

In veel gebieden kregen burgers meer macht, onder andere door het kiesrecht. Daardoor werd het voor regeringen steeds belangrijker om de mening van burgers te beïnvloeden.

Moderne media zoals kranten, radio en film maakten dat mogelijk. De media werden, met name door totalitaire regimes, gebruikt om de eigen successen te beschrijven en een afschrikwekkend of belachelijk beeld van de vijand te schetsen.

Daardoor kon de mening van het volk gemanipuleerd worden op schaal en met een intensiteit die niet eerder mogelijk was. In communistisch (Stalinistisch) Rusland, Nazi-Duitsland en in het fascistische Italië werd hier veel gebruik van gemaakt.

Naast propaganda gebruikten de genoemde landen ook vormen van massaorganisatie. Burgers werden daarbij gemotiveerd om lid te worden van een door de staat gecontroleerde club/beweging. Bekende voorbeelden hiervan zijn de Hitler-Jugend en de landwacht.

Burgers werden daarbij niet alleen geleerd om op een bepaalde manier te denken, maar ook om zich op een bepaalde manier te gedragen. Dat maakte het nog makkelijker voor de regeringen om de bevolking in te zetten op de manier die ze wilden. Veel jongens uit de Hitler-jugend bijvoorbeeld werden aan het eind van de oorlog ingezet als (kind-)soldaten.

 

KA-38: Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme

Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden totalitaire ideologieën in Rusland (communisme/Stalinisme, Duitsland (nationaalsocialisme) en Italië (fascisme). In een totalitaire staat bepaalt de overheid het leven van de burgers volledig.

Nationaalsocialisme en fascisme waren in de aard al totalitair: er zijn sterke leiders (fascisme: Il Duce, Mussolini – nationaalsocialisme: Fuhrer, Hitler). Het communisme was niet uit zichzelf totalitair; iedereen was immers gelijk.

Stalin werd echter de sterke leider die Rusland volledig naar zijn ideeën in wilde richten en daarbij een totalitair regime nodig had. Totalitaire regimes maken gebruik van indoctrinatie. Indoctrinatie gaat een stap verder dan propaganda: het wordt bijna onmogelijk voor burgers om op een andere manier te denken dan de regering voorschrijft. Totalitaire regimes kunnen gebruik maken van:

  • Propaganda
  • Geheime diensten, die het eigen volk en de leiders controleren
  • Massaorganisatie
  • Het opsluiten/doden van grote groepen mensen
  • Afschaffen van vrije meningsuiting (en andere rechten van de mens)
  • Aanwakkeren van nationalisme en het verheerlijken van de daarbij behorende symbolen

Het nationaalsocialisme en fascisme ontstonden uit de frustraties in Duitsland en Italië over de afloop van de Eerste Wereldoorlog (de Duitsers en Italianen moesten de Vrede van Versailles tekenen onder voor hen zeer ongunstige voorwaarden) en de crisis van de jaren ’20.

 

KA-39: De crisis van het wereldkapitalisme

In de roaring twenties nam de welvaart overal in de kapitalistische, westerse wereld toe. Veel Amerikanen hadden echter veel geld geleend en de bedrijven produceerden meer dan eigenlijk nodig was. Op 24 oktober 1929, ‘Zwarte Donderdag’, brak in New York een beurscrisis (beurskrach) uit. Banken gingen failliet, het spaargeld van mensen werd, door inflatie, niets meer waard en door gebrek aan geld konden burgers weinig meer kopen, waardoor de crisis oversloeg op de industrie en de landbouw.

Het communistische Rusland werd niet getroffen door de crisis. Daardoor gingen veel mensen twijfelen aan het kapitalisme.

Roosevelt bracht in 1933 economische hervormingen ten uitvoer (The New Deal). De overheid ging, sterk in strijd met de liberale en kapitalistische principes, grote ingrepen doen in de economie.

De crisis was in Duitsland extra zwaar, omdat zij ook nog zaten met de herstelbetalingen (betaling van schade, die ze op basis van het Verdrag van Versailles moesten doen). De slechte situatie vormden een voedingsbodem voor de totalitaire ideeën van Hitler.

 

KA-40: Het voeren van twee wereldoorlogen

Wilhelm II wilde van Duitsland een wereldmacht maken (Weltpolitik), wat Frankrijk, Engeland en Rusland zagen als een bedreiging. De rivaliteit tussen de grote mogendheden kwam in 1914 tot uitbarsting in de Eerste Wereldoorlog. Achterliggende oorzaken waren het nationalisme, militarisme, modern imperialisme, de wapenwedloop en de gesloten bondgenootschappen.

 

De concrete aanleiding was de moord op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije door een Servische nationalist in Sarajevo. Oostenrijk-Hongarije verklaart daarna de oorlog aan Servië, gesteund door Duitsland. Mede door de bondgenootschappen raken steeds meer landen betrokken.

De Russen sluiten na de Oktoberrevolutie vrede met de centralen (o.a. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije).

Toch verloren de centralen de oorlog. Ze werden in de Vrede van Versailles gedwongen akkoord te gaan met herstelbetalingen.

 

Er waren een aantal achterliggende oorzaken van de Tweede Wereldoorlog (in Europa), die onderling samenhangen. 1) de economische crisis, die in Duitsland extra zwaar was vanwege de herstelbetalingen. 2) de Vrede van Versailles werd door de Duitsers als vernederend gezien. Bovendien maakten de herstelbetalingen de crisis extra zwaar. 3) Hierdoor raakten veel Duitsers in het nauw en werden ze vatbaar voor de theorieën van Hitler. 4) Hitler voerde een sterke expansiepolitiek.

De Tweede Wereldoorlog begint als Duitsland Polen binnenvalt en Frankrijk en Engeland Duitsland de oorlog verklaren. WO II had een nog grotere schaal dan WO I. Onder andere doordat Japan een vergelijkbare rol had als Duitsland in Europa.

In Europa eindigde de oorlog met de inname van Berlijn door de Sovjets. In Azië eindigde de oorlog met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

Tijdens de oorlog bestonden er drie machtige ideologische blokken: 1) nationaalsocialisme (Duitsland)/fascisme(Italië)/extreem nationalisme (Japan), 2) communisme (Sovjet-Unie en 3) Democratie (Amerika en rest Europa). Tijdens de oorlog streed blok 1 tegen blok 2 en 3. Toen blok 1 verslagen was, leidde verschillen tussen blok 2 en blok 3 tot de koude oorlog.

KA-41: Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden

Hitler en de NSDAP geloofden dat het Arische (blanke) ras het beste (superieur) was, vooral Duitsers. Vooral joden, maar ook de Slavische volken in Oost-Europa zijn volgens hun theorie minderwaardig (inferieur). Haat tegen joden was in Europa zeer oud, vooral om redenen van geloof. Hitler beweerde echter dat de joden ook verantwoordelijk zouden zijn voor de economische crisis.

Als de NSDAP aan de macht komt begint Hitler direct met de vervolging van politieke tegenstanders. Al snel werden ook joden, homoseksuelen en gehandicapten naar kampen overgebracht (geïnterneerd) (ingebruikname van Dachau 1933, verplicht voorbeeld). In 1935 werden de joden buiten de samenleving geplaatst met de Neurenberger wetten (verplicht voorbeeld).

In 1938 werden in heel Duitsland joodse winkels geplunderd en vernield: de Kristallnacht.

Het op grote schaal vermoorden van joden (genocide) begon in de Sovjet-Unie.

In 1942 wordt in de Wansee conferentie besloten tot het massaal en systematisch vermoorden van joden (genocide).

Het is de vraag of Hitler en zijn partij helemaal geloofden in hun rassenleer of dat zij vooral een theorie verzonnen hadden die het mogelijk maakte een belangrijk deel van de problemen toe te schuiven aan enkele, kwetsbare, bevolkingsgroepen. Deze tactiek zien we in ons huidige Europa veel terug, maar is nu gericht op migrantengroepen.

KA-42: De Duitse bezetting van Nederland

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Na 5 dagen strijd gaf Nederland zich over

Koningin Wilhelmina en de regering waren toen al naar Engeland gevlucht. In plaats daarvan kwam er een door de Duitsers gecontroleerde regering.

In het begin waren de Duitsers nog mild. Er was wat verzet, maar de meeste Nederlanders gingen gewoon door met hun leven.

In februari gingen veel Nederlandse arbeiders in staking als reactie op een Duitse Razzia (een gecoördineerde actie waarbij de joden uit hun huizen werden gehaald).

Vooral na het verlies van de Duitsers van de slag om Stalingrad werd de bezetting harder. Er werden meer joden opgepakt en doorgestuurd naar vernietigingskampen. Alle goederen van waarde werden door de Duitsers in beslag genomen.

Omgekeerd nam ook het verzet toe. Een klein deel van de Nederlanders werkte samen (collaboreerde) met de Duitsers. Een ander klein deel kwam juist actief in verzet.

 

KA-43: Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering

Tijdens de Eerste Wereldoorlog stierven miljoenen soldaten. Vrouwen en mannen die niet konden vechten werkten in het thuisland in bijvoorbeeld de wapenindustrie.

De betrokkenheid van de bevolking ging in de Tweede Wereldoorlog nog veel verder. Een nog groter deel van de bevolking werd ingezet om de productie op gang te houden.

Nederlandse mannen werden gedwongen om in Duitsland te werken. Overwonnen landen werden leeggeroofd.

Door bombardementen op steden vallen veel doden. In Duitse en Japanse concentratiekampen sterven miljoenen mensen. In totaal stierven in de Tweede Wereldoorlog rond de 27 miljoen mensen.

In de Eerste Wereldoorlog werden gifgassen ingezet die duizenden vijandelijke soldaten tegelijk konden doden. De Tweede Wereldoorlog eindigt als de Amerikanen in 1945 een atoombom op Hiroshima (verplicht voorbeeld) en Nagasaki gooien.

 

KA-44: Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme

In de periode tussen de twee wereldoorlogen (het interbellum) kwam een aantal koloniën in Azië verzet tegen het imperialisme.

In de Tweede Wereldoorlog bleek dat de Europese landen niet onoverwinnelijk waren. Mede daardoor was het nationalisme sterk toegenomen.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn er nog twee andere factoren die de dekolonisatie ondersteunen. De eerste is de opkomst van het communisme gesteund door de Sovjet-Unie, dat gericht is op strijd tegen de kapitalistische/imperialistische overheersers.

De tweede is de sturende rol van de VS, die er op uit zijn zoveel mogelijk landen autonomie (onafhankelijkheid) te geven.

In veel landen werden de legers van de Europese overheersers door Japan verslagen. Nadat de Japanse legers verslagen werden door de VS ontstaat ruimte voor de Aziatische landen om hun eigen bestuur in te regelen.

In veel moest er een felle onafhankelijkheidsstrijd gevoerd worden. Nederland erkende de onafhankelijkheid van Indonesië pas in 1949, na jaren van strijd. De Nederlanders begingen hierbij oorlogsmisdaden.

Brits-Indië wist, onder leiding van Gandhi, onafhankelijk te worden van Groot-Brittannië zonder geweld.

 

 

Tijdvak 10: tijd van televisie en computer

KA-45    De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog

Na de tweede wereldoorlog beheersen de VS en de Sovjet-Unie de wereldpolitiek. Ze komen lijnrecht tegenover elkaar te staan.

Omdat beide landen de beschikking hebben over atoomwapens dreigt een atoomoorlog.

Europa wordt verdeeld in een Oostblok en een Westblok.

Belangrijke verschillen tussen de blokken zijn: Oosten: communistisch (stalinistisch), totalitair. Westen: kapitalistisch, democratisch.

Beide blokken proberen zoveel mogelijk landen voor zich te winnen (hun invloedsfeer te vergroten) met politieke en militaire middelen.

 

KA-46    De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld

De koloniën komen in opstand tegenover hun Europese overheersers. De dekolonisatie is in de jaren 50 het sterkst in Azië, daarna in Afrika en tenslotte in het Caraïbisch gebied. De dekolonisatie leidt tot geweld van beide partijen. Het gevolg van de dekolonisatie is dat de Europese landen hun leidende positie in de wereld verliezen.

 

KA-47    De eenwording van Europa

Na de tweede wereldoorlog willen de West-Europese landen meer gaan samenwerken, vooral op economisch terrein.

Ze kregen uit de VS hulp aangeboden, de Marshall hulp, op voorwaarde dat ze een gezamenlijk Europees herstelplan opstellen.

In 1951 wordt de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal opgericht (EGKS), die bestaat uit West-Duitsland, Frankrijk, Italië en de Benelux.

In 1957 wordt deze opgevolgd door de EEG, die later de EG genoemd wordt.

Er worden steeds meer landen toegevoegd. Na de val van de muur in 1987 ook landen uit het voormalige Oostblok. De EG wordt groter en machtiger, maar de verschillen tussen de landen neemt ook toe.

Inmiddels heeft Groot-Brittannië aangekondigd de EG te willen verlaten (Britain Exit –> Brexit).

 

 

KA-48    De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen

 

Eerst in de VS en later in Europa stijgt de welvaart sterk.

De regeringen bouwen een welvaartstaat op, waarbij de regering verantwoordelijk is voor het welzijn van burgers.

Er komt een nadruk te liggen op het individu: economisch, sociaal, intellectueel en op het gebied van geloof.

Kenmerkend zijn het ontstaan van jongerenculturen en de tweede feministische golf.

Nieuwe media (Televisie en later internet via computers en mobiles) krijgen een enorme invloed op alle onderdelen van de samenleving

Andere veranderingen zijn de deconfessionalisering (ontkerkelijking), ontzuiling, grotere deelname van vrouwen in het arbeidsproces (arbeidsparticipatie) en vrijere (liberale) opvattingen over seksualiteit en drugs

 

KA-49    De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.

Vanaf de jaren 50 worden zeer veel buitenlandse werknemers (gastarbeiders) naar West-Europa gehaald, omdat er door de economische groei een tekort is aan arbeidskrachten.

Vanaf de jaren 80 komen veel vluchtelingen uit oorlogsgebieden naar Europa. Europa wordt multicultureel en pluriform (er zijn mensen met allerlei verschillende normen, waarden en leefstijlen). Dit leidt tot integratieproblemen.

Anti-Islam partijen krijgen steeds meer aanhangers.