Kenmerkende aspecten Tijdvak 5 – 7

Toelichting

Kenmerkende aspecten zien eruit als kleine ‘stukjes geschiedenis’, die je afzonderlijk kunt leren. Maar het is veeel nuttiger om ze te zien als onderdelen van een antwoord op je CE of SE. Zoek en onthoud de verbanden, in plaats van alleen de feiten.

Kenmerkende aspecten leren lastig, tijdrovend of niet leuk? Probeer onze App:

Google/Android

Apple/iPhone/iPad

Tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers

KA-18    Het begin van de Europese overzeese expansie

Portugezen en Spanjaarden ontdekken steeds grotere delen van de wereld. Eerst in Afrika, later in Azië en Amerika. De Portugezen stichten handelsposten in Azië, de Spanjaarden stichten koloniën in Amerika en er ontstaat de eerste wereldhandel.

Er zijn meerdere redenen waarom de Europeanen aan ontdekkingsreizen begonnen: economisch (winst maken), politiek (macht uitbreiden, expansie) en religieus/maatschappelijk (bekering naar het geloof en beschaving verspreiden over de wereld).

De overzeese expansie had gevolgen op vele gebieden. Europese landen werden machtiger en rijker. Europeanen, en met hen Europese talen en het christendom, verspreidde zich over een groot deel van de wereld. Het wereldbeeld van de Europeanen veranderde.

 

KA-19    Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling

Mensen gaan breder denken, waarbij niet alleen meer wat in de bijbel staat of wat de kerk zegt leidend is. De mens is een zelfstandig wezen, meer dan alleen een instrument van God. De mens hoeft niet alleen meer aan het leven na de dood te denken (memento mori), maar mag ook genieten van het leven (carpe diem)

De ideale mens is een wetenschapper en een kunstenaar (bijvoorbeeld Leonardo da Vinci). Biologische en aardrijkskundige kennis groeit (als gevolg van de ontdekkingsreizen). Door de boekdrukkunst konden nieuwe ideeën zich sneller verspreiden.

Er is weer veel aandacht voor de klassiek oudheid (Zie KA-20).

 

KA-20    De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid

Vanuit Noord-Italië ontstaat een nieuwe belangstelling voor de klassieke oudheid. Oude teksten kwamen weer beschikbaar, onder andere doordat bij de kruistochten vertaalde teksten in het Arabisch gevonden werden. De klassieke vormentaal wordt intensief bestudeerd en komt terug in nieuwe kunstwerken. De symbolische weergave van de middeleeuwen maakt daarbij plaats voor een realistische weergave van bijvoorbeeld het menselijk lichaam. Humanisten bestudeerden de klassieke literatuur. Humanistisch onderwijs moest de mens in staat stellen om zijn ware bestemming te ontdekken en door navolging van de klassieke voorbeelden een ideale mensheid te verwezenlijken. Kenmerkend was het besef tot een nieuw tijdperk te behoren en de noodzaak om zich af te keren van het verleden van de voorgaande eeuwen. Hiertegenover werd de oudheid als absolute toonaangevende norm voor alle levenssferen gesteld.

 

 

KA-21    De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had

De katholieke kerk had steeds meer macht naar zich toegetrokken en was steeds verder afgeraakt van de oorspronkelijke bijbelteksten. Luther en Calvijn hadden hier kritiek op. Zij wilden de kerk hervormen, maar door de conflicten ontstond er een afsplitsing van de rooms- katholieke kerk: de protestantse kerk. De katholieke kerk ging deze mensen (die ze ketters noemde) vervolgen.

Erasmus vertaalde de bijbel naar het Duits, waardoor die ook leesbaar werd voor het volk.

Veel Duitse vorsten steunden Luther, omdat hij stelde dat het volk zijn vorst moet gehoorzamen in geloofszaken. Calvijn vond dat de calvinistische kerkgemeente zichzelf moest besturen. Als een vorst zich niet aan Gods regels houdt mochten zijn onderdanen hem afzetten. In Nederland kreeg vooral Calvijn veel aanhangers.

 

KA-22    Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat

Filips II voerde een centralisatiepolitiek waarmee ook de Nederlanders te maken kregen. Daarnaast vervolgde hij de protestanten fel. De Nederlanders kwamen in opstand. Dat resulteerde in het niet meer erkennen van Filips II als hun koning en het uitroepen van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dit kenmerkend aspect is eigenlijk een dubbeling van de leidende vraag: “Waardoor brak er een opstand uit in de Nederlanden, 1515-1572?”, die hoort bij historische context “Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515- 1648”. Daarom wordt deze hier niet verder behandeld.

 

Tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten

KA-23    Het streven van vorsten naar absolute macht

Sommige vorsten, waaronder die in Frankrijk, Pruisen en Rusland, gingen verder dan centralisatie: ze wilden absolute macht. Hun uitgangspunt was dat ze door God waren aangesteld (droit divin) en dat aardse wetten niet voor hen golden. Dit bracht hen in conflict met de adel en steden.

In Frankrijk moesten de vorsten belastingen laten goedkeuren door de Staten-Generaal. Vanaf 1614 riepen zij deze niet meer bijeen.

Lodewijk XIV stelde ambtenaren aan voor het innen van de belasting en passeerde daarmee de adel. Hij bouwde het leger uit. Ook ging de godsdienst bepalen: het protestantisme werd verboden. Op economisch gebied kwam er een politiek waarbij de import beperkt en de export versterkt werd (mercantilisme). Hij voerde ook maatregelen door om de macht van de adel te beperken.

 

KA-24    De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek

De Republiek werd niet geregeerd door een koning. In plaats daarvan voerde de Staten-Generaal het bestuur uit. Het was een unie (vereniging) van de zeven gewesten. Deze streefden elk vooral naar hun eigen belang keken (particularisme). De bestuursfuncties in de gewesten waren in handen van een paar families van kooplieden (oligarchie). Daardoor kon zij effectief geregeerd worden.

In de Staten-Generaal waren twee belangrijke functies, die vaak met elkaar in conflict kwamen: ten eerste de raadpensionaris van Holland. Omdat Holland meer dan de helft van de belastingen leverde was het zeer machtig en kon de raadspensionaris veel zaken bepalen. De raadspensionaris bereidde de besluiten voor en had daarom politieke macht. Ten tweede de stadhouder. Deze voerde het leger aan en had daardoor militaire macht.

Op maatschappelijk gebied was de Republiek bijzonder, omdat er tolerantie bestond ten opzicht van verschillende religies. Er bestond ook een grotere vrijheid van denken en persvrijheid. Door deze vrijheden vluchten mensen die vanwege geloof of denken in andere landen vervolgd werden naar de Republiek.

De cultuur in de republiek was een burgerlijke cultuur: de rijke burgerij liet kunstwerken (met name schilderijen) maken over zichzelf en hun wereld. Dit week af van andere landen met een hofcultuur, waarbij de vorste en de adel de kunst bepaalden.

In de Republiek bemoeide de overheid zich nauwelijks met de economie. Dat week af van omringende landen.

 

KA-25    Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie

De internationale handel werd steeds verder uitgebreid en er was sprake van economische bloei (de Gouden Eeuw).

Door een aantal oorzaken groeide de economie in Holland bijzonder snel. Holland was te vochtig voor landbouw. Daardoor was het vrij verstedelijkt en waren er naar verhouding veel ambachtslieden. Graanproducten werden uit het Oostzeegebied gehaald (moedernegotie) , wat een goede handel vormde, die in Nederland voor veel extra nijverheid zorgde. Uitvindingen als het fluitschip en de houtzaagmolen maakte het mogelijk om de handel verder uit te breiden.

De steeds grotere schaal van de handel maakte het noodzakelijk om steeds meer te gaan investeren in nieuwe schepen, pakhuizen etc. (handelskapitalisme).

Vanuit deze basis hadden kooplieden in Holland een goede positie om hun handel uit te breiden naar nieuw ontdekte gebieden. Er werden handelscompagnieën gevormd zoals de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en de WIC (West-Indische Compagnie) en er ontstond een wereldwijde handel.

 

KA-26    De wetenschappelijke revolutie

In de 17e eeuw werden observeren, wetenschappelijk redeneren en proeven doen een belangrijke basis voor de wetenschap. Er ontstond een kritische houding ten opzichte van oude theorieën. Dit leidde ook tot conflicten met de kerk.

Binnen het rationalisme werd het verstand en het vermogen tot redeneren als de meest zuivere bron van kennis gezien. Filosofen binnen het rationalisme zijn Descartes en Spinoza. Binnen het empirisme gold de waarneming als het beginpunt van kennis (bijv. Locke).

De nieuwe manier van denken leidde tot een groot aantal theorieën op het gebied van astronomie (de aarde draait om de zon en niet omgekeerd), natuurkunde, wiskunde, scheikunde en biologie.

  

Tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties

KA-27    Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen

Door de wetenschappelijke revolutie nam het vertrouwen toe dat de mens, door rationeel (verlicht) te denken, alles kon begrijpen en verbeteren. De verlichte denkers streden tegen misstanden in de samenleving. Ze wilden niet zonder meer aannemen wat de kerk zei(dogma’s: vastgeroeste, ongecontroleerde ideeën), maar wilden vertrouwen op redeneren en waarnemen.

Er werden nieuwe ideeën ontwikkeld op het gebied van godsdienst, economie, politiek en sociale verhoudingen. Deze verspreiden zich onder de burgerij.

Godsdienst: God heeft de wereld gemaakt, maar daarna overgelaten aan de mens (Deïsme, Voltaire).

Economie: de verlichte denker Adam Smith was tegen het mercantilisme, waarin de staat probeerde import te blokkeren en export te stimuleren. Hij was de grondlegger van het liberalisme. Hij stelde dat als iedereen voor zichzelf zorgde (en de overheid zich terugtrok), dat uiteindelijk goed zou zijn voor iedereen.

Politiek: de absolute macht van vorsten werd verworpen. Verlichte denkers vonden dat wetten voor iedereen gelijk moesten zijn. John Locke: alle mensen bezitten natuurlijke rechten. Montesquieu: trias politica. Rousseau: de staat moet de algemene wil van het volk, dus ook minder gestelde burgers, uitvoeren.

Sociale verhoudingen: verlichte denkers waren tegen een standenmaatschappij en tegen de slavernij.

 

KA-28    Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)

Door de verlichting groeit de kritiek op het absolutisme, de absolute macht van vorsten. Sommige vorsten passen hun oude regeerstelsel (ancien régime) aan en gaan zich meer opstellen ten dienste van het volk (verlicht absolutisme). Hiertoe behoorde het bevorderen van wetenschap en het verbeteren van de leefomstandigheden. Het volk had echter nog geen inspraak (alles voor het volk, niets door het volk). De vorsten gingen ambtenaren instellen om efficiënt te kunnen regeren.

 

KA-29    Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

De Europeanen breiden hun koloniën steeds verder uit, vooral ook in Amerika: in de plantagekoloniën werd suiker, katoen, koffie en tabak verbouwd. Eerst werd ook goud en zilver gewonnen, maar de voorraden raakten uitgeput. In de 18e neemt de vraag naar de producten uit de plantages sterk toe. Er ontstaat een driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika: Europa exporteert kleren, ijzer en wapens naar Afrika. Slaven worden vanuit Afrika naar Amerika gevoerd (trans-Atlantische slavenhandel).

De zwarte Afrikanen werden door veel blanken als mindere mensen gezien. Daarmee praatten ze de slavenhandel goed. Ze wezen erop dat in Afrika zelf ook al vormen van slavernij bestonden. Er ontstond ook een beweging die slavenhandel wilde afschaffen: abolitionisme. In Engeland werd in 1807 de slavenhandel afgeschaft en in 1834 de slavernij. In de Verenigde Staten leidde de discussie over abolitionisme tot een burgeroorlog tussen noord (tegen slavernij) en zuid (voor slavernij).

 

KA-30    De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

Op basis van het verlichtte denken breken revoluties uit die tot doel hebben de positie van burgers te verbeteren met grondrechten. De eerste revolutie vind plaats in Amerika (1775 – 1783), daarna volgt Frankrijk (1789-1799). Andere Europese landen volgen in 1848. In Nederland was er de Bataafse revolutie.

Amerikaanse revolutie: na de onafhankelijkheid wordt Amerika in 1787 het eerste land met een geschreven grondwet. Kenmerken daarvan waren: VS werden een republiek, kiesrecht (voor rijke blanke mannen), toepassing van trias politica, vastlegging grondrechten burgers.

Franse revolutie: de oude ideeën van absolutisme, aristocratie en de macht van de kerk werden vervangen door de principes van Liberté, égalité, fraternité, oftewel vrijheid, gelijkheid en broederschap. Achterliggende oorzaken waren de hoge belastingen die het volk moest betalen om de oorlogen en de dure hofhouding te betalen. De adel en geestelijkheid hoefden geen belasting te betalen. Daarnaast was er onder de stedelingen honger en onder de hogere burgerij bestond onvrede over het feit dat zij geen toegang hadden tot de betere banen, die naar de adel gingen.

In de periode van de Franse revolutie werden veel verlichtingsidealen gerealiseerd door de grondwet en andere wetten. Daarmee ontstonden overal in Europa discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap (iedereen is een gelijke staatsburger, in plaats van lid van een bepaalde stand). Dit leidde later, in 1848, tot revoluties op verschillende plekken in Europa.