Kenmerkende aspecten Tijdvak 1-4

Toelichting

De meeste kenmerkende aspecten die horen bij Tijdvak 1 t/m Tijdvak 4 zijn minder belangrijk dan de kenmerkende aspecten die horen bij Tijdvak 5 t/m Tijdvak 10. Ze zijn daarom (veel) korter beschreven. In ieder kenmerkend aspect is zoveel beschreven als nodig is om begripsvragen op het CE en SE’s te beantwoorden (naast de leidende vragen uit de historische contexten).

Kenmerkende aspecten zien eruit als kleine ‘stukjes geschiedenis’, die je afzonderlijk kunt leren. Maar het is veeel nuttiger om ze te zien als onderdelen van een antwoord op je CE of SE. Zoek en onthoud de verbanden, in plaats van alleen de feiten.

Kenmerkende aspecten leren lastig, tijdrovend of niet leuk? Probeer onze App:

Google/Android

Apple/iPhone/iPad

Tijdvak 1: tijd van jagers en boeren

KA-1      De levenswijze van jagers-verzamelaars              

De jagers-verzamelaars leefden in kleine groepen en trokken rond. Hun samenleving was eenvoudig. De prehistorie is het tijdvak waarin de mensen nog niet konden schrijven. Alles wat we van de mensen uit de prehistorie weten is afkomstig uit archeologische vondsten.

 

KA-2      Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen           

Een fundamentele verandering vond plaats toen de mens overschakelde op landbouw (landbouwrevolutie). Deze overstap van was zo belangrijk omdat de mensen zich gingen vestigen op vaste plaatsen. De landbouwsamenleving is al complexer dan die van de jager-verzamelaars. De ontwikkeling begon in het Midden-Oosten, rond 10 000 v.C.

 

KA-3      Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen            

Rond 3500 v.C. in Mesopotamië ontstond een complexere landbouwsamenleving. Boeren gingen zich organiseren om irrigatiesystemen te bouwen, waarmee het water uit de rivier beter benut kon worden. Door deze en andere verbeteringen ontstond een landbouwoverschot , waardoor niet iedereen meer in de landbouw hoefde te werken. Sommigen gingen zich specialiseren in ambachten. Mensen werden daarbij economisch en sociaal afhankelijk van elkaar. De samenleving werd daardoor weer complexer.

 

Tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen

KA-4      De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat

Binnen Griekenland ontwikkelden zich afzonderlijke stadsstaten (poleis) met een eigen bestuur: democratie, monarchie of aristocratie. Athene was een directe democratie: de burgers namen in volksvergaderingen zelf de besluiten. De groep burgers (degenen met kiesrecht) werd gevormd door de Atheense mannen die vrij waren. Vrouwen en slaven mochten dus niet meebeslissen.

De Grieken redeneerden op een wetenschappelijke manier. De kennis van wiskunde, natuurkunde en geneeskunde groeien sterk. Beroemde denkers zijn bijvoorbeeld Pythagoras en Archimedes.

 

KA-5      De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur           

De Grieken ontwikkelden een hoog niveau in de bouwkunst en beeldhouwkunst. De Romeinen namen de Griekse vormentaal over en voegden daar nieuwe elementen aan toe. Voorbeelden daarvan uit de architectuur zijn het gebruik van de boogvorm en het feit dat een Romeinse tempel alleen aan de voorkant te betreden was. Op het gebied van beeldhouwkunst ging de Romeinse kunst afwijken omdat deze minder geïdealiseerd was dan de Griekse beelden.

 

KA-6      De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde      

Tussen 500 en 275 v. Chr. veroverden de inwoners van de stad Rome (Romeinen) Italië. Daarna veroverden de Romeinen grote delen van Europa. Ze brachten de Grieks-Romeinse cultuur en kunst over naar de veroverde gebieden (romanisering). Ze bouwden steden en tempels, richtten grote landbouwbedrijven op en lieten de lokale bevolking dienst doen in het Romeinse leger. Vanaf de derde eeuw ging het slechter met het Romeinse rijk

 

KA-7      De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa        

Sommige Germaanse stammen namen de Grieks-Romeinse cultuur over, andere hielden vooral hun eigen (minder hoog ontwikkelde) cultuur. Naast de culturele confrontatie is er ook militaire strijd. Vanaf de 3e eeuw vallen Germaanse stammen het Romeinse rijk binnen. In 476 leidt dat tot het eind van het Romeinse rijk.

 

KA-8      De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten  

Het jodendom onderscheidde zich van de andere geloven, omdat ze maar in één god geloofden ( monotheïsme). Hieruit ontwikkelde zich het christendom. De christenen geloofden dat Gods zoon, Jezus, uit de dood was opgestaan.

Het christendom verspreidde zich over het Romeinse rijk. Eerst werden Christenen vervolgd. Later werd het de Romeinse staatsgodsdienst.

 

Tijdvak 3: tijd van monniken en ridders

KA-9      De verspreiding van het christendom in geheel Europa

In de vroege middeleeuwen werdt het christendom door monniken verspreid. Het werd door vorsten gebruikt om voor saamhorigheid te zorgen. Kloosters werden belangrijke plaatsen voor onderwijs en cultuur. Ze droegen bij aan het succes van de kerstening (het christelijk worden) van Europa.

 

KA-10    Het ontstaan en de verspreiding van de islam   

Mohammed stichtte een nieuwe monotheïstische godsdienst, de islam. In minder dan 100 jaar verspreidde het zich over Noord-Afrika en Azië. Deze snelle verspreiding kon plaatsvinden omdat naburige rijken al over hun hoogtepunt heen waren. Ook stelden de Arabische moslims zich tolerant op tegenover andere geloven en ondervonden ze daarvan weinig weerstand.

 

KA-11    De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid              

De landbouwgrond was verdeeld (zie ook KA-12) in hoven, die werden geleid door kloosters of de adel. Hier ontwikkelde het hofstelsel zich. Edelen leenden grond aan horigen, die hen een deel van de opbrengst moesten geven. In ruil voor hun werk gaf hun heer hen bescherming. Lijfeigenen werkte op het hof van hun heer en waren zijn bezit. Vrije boeren hadden eigen land. In ruil voor bescherming moesten ze een deel van de oogst afstaan en militaire hulp leveren aan hun heer.

 

KA-12    Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur               

Het feodale systeem hield in dat koningen hun grond verdeelden in kleinere stukken, die werden beheerd door lokale edelen. Deze beloofden dan trouw aan de koning. De koning is hierbij de leenheer (degene die de grond ‘uitleent’ en de edele is hierbij de leenman (degene die de grond mag gebruiken).

Op hun beurt verdeelden de edelen hun grond weer over lagere edelen, die aan hen trouw moesten zweren. Zij werden zelf dus ook weer leenheer.

Onder Karel de Grote werd het feodale stelsel bijna in heel Europa ingevoerd.

 

Tijdvak 4: tijd van steden en staten

KA-13    De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving     

Door betere landbouwmethoden ging de landbouw steeds meer opleveren. Daardoor hoefde niet iedereen meer in de landbouw te werken. Er ontstonden steden waarin mensen zich gingen specialiseren in ambachten en handel. Invallen van de Vikingen en andere volken namen af.

 

KA-14    De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

Steden werden groter, machtiger en meer zelfstandig. Ze betaalden edelen belasting in ruil voor (stads)rechten. Steden kregen ook eigen bestuur.

 

KA-15    Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben             

De paus was erg machtig, hij werd gezien als de vertegenwoordiger van God en stond lange tijd zelfs boven koningen. Hij verdeelde zijn macht onder bisschoppen (investituur). Koningen wilden echter ook bisschoppen benoemen, omdat zij dan meer invloed hadden op deze machtige posities. De uitkomst was dat de paus de kerkelijke zaken bepaalde en de koningen de wereldse zaken.

 

KA-16    De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten

Ten zuiden en zuidoosten van Europa beheersten islamieten de wereld. Toen zij Palestina veroverden organiseerden de Europeanen een kruistocht om hen te verdrijven. Daarna werden nog andere kruistochten gehouden. Hierdoor werd de kennis van de wereld uitgebreid en ontstond nieuwe handel.

 

KA-17    Het begin van staatsvorming en centralisatie    

Koningen slaagden erin steeds meer macht naar zich toe te trekken, ten koste van edelen. Zij gingen rechtstreeks belasting heffen aan steden en gebruikten daarvoor hun eigen ambtenaren. Ook gingen zij een centraal leger vormen en voerden ze landelijke rechtspraak in.